De Kristallnacht

De Kristallnacht
© Bundesarchiv, Bild 146-1970-083-42

Benjamin mag steeds minder in het Duitsland van Hitler. Het wordt voor Johannes ook steeds moeilijker om zijn vriend te steunen. Ze zien elkaar alleen nog op school. Johannes’ vader wil niet dat hij met Joden omgaat. En op school is het vrijwel onmogelijk om contact te hebben. Benjamin zit vaak apart, leraren beledigen hem openlijk en niemand zegt er iets van.
 
De vader van Benjamin, die rechter is, wordt ontslagen - net als alle andere Joodse ambtenaren. In 1935 wordt in de wet vastgelegd dat Joden niet met niet-Joden mogen trouwen. De vriendschap tussen Benjamin en Johannes bestaat uit korte blikken van verstandhouding in de klas, het uitwisselen van vluchtige geheime briefjes op het schoolplein en een snelle handdruk in de gang.

Dan wordt het 9 november 1938. Johannes en Mattias zijn net in slaap gevallen als ze wakker schrikken door lawaai en geschreeuw van buiten. Ze horen mensen gillen en ruiken een brandgeur. De broers rennen naar de keuken waar hun moeder met een bleek gezicht aan de keukentafel zit. “Wat is er aan de hand?!” roept Mattias. Hij wil naar buiten. Maar zijn moeder verbiedt het hem. Het is te gevaarlijk. Laat op de avond komt hun vader thuis. Hij wil niet praten over wat er die nacht gebeurd is. “Ze hebben het aan zichzelf te wijten”, is alles wat hij zegt.

Opdracht 5: De nacht van 9 november 1938 – Kennis en analyse
Wat gebeurde er in de nacht van 9 november 1938? Bekijk de bronnen 5 en 6. Stel je voor dat je een Nederlandse journalist bent, die op de ochtend van 10 november hoort wat er in Duitsland is gebeurd. Schrijf een kort artikel van maximaal 100 woorden waarin je voor je krant zo objectief mogelijk probeert te vertellen wat er deze nacht is gebeurd. Beantwoord daarbij de vragen: wie, wat, wanneer, waarom, hoe. Verzin er ook een krantenkop bij.
 


In Duitsland spreekt men niet meer van Reichskristallnacht maar van Novemberpogrome, omdat de eerste term afkomstig is van de nazi’s zelf en de tweede de lading beter dekt.

De volgende dag gaat Johannes vroeg de straat op. Daar lijkt het alsof er een veldslag heeft plaatsgevonden. Je kunt precies zien in welk huis Joden wonen: die huizen hebben geen ramen meer. Op de winkels van Joodse eigenaars staan met verf nare dingen geklad. De synagoge is in brand gestoken. Johannes kan alleen maar aan Benjamin denken. Is zijn vriend in orde? Hij rent naar het huis van zijn vriend. In de verte ziet hij al de gordijnen naar buiten wapperen. Ook daar is het glas gebroken. Johannes blijft bij de opengebroken deur staan. Hij durft niet te roepen of naar binnen te gaan. Maar dan komt Benjamin met een koffer in zijn hand de trap afgelopen.
 
Met een plof zet Benjamin de grote zware koffer tussen hen in. “Je vader en zijn vrienden waren hier”, zegt hij kortaf. Johannes knikt en slikt de brok in zijn keel weg. “Zijn jullie allemaal in orde?” vraagt hij. “We konden ons op tijd verstoppen”, zegt Benjamin, “nu gaan we weg, naar familie, in Nederland.” Johannes knikt opnieuw. Hij weet niet wat hij moet zeggen. “Tot ziens”, zegt hij dan zachtjes en kijkt naar zijn schoenen. “Dag Johannes”, zegt Benjamin en kijkt ook naar zijn schoenen. Johannes draait zich om en rent de straat uit. Tranen branden achter zijn ogen. Maar hij huilt niet.